M. schuift haar bord weg: "papa opeten".
M. ligt in bed, wijst naar de commode waar boeken liggen: "deze voorlezen".
M. krijgt haar t-shirt aan, haar arm gaat niet goed door het armsgat: "mispoes".
M. ligt op ons bed, ik sta in de badkamer: "Mone? Doen?"
M. vindt het leuk om uit de autostoel te klimmen en via de 'andere' deur de auto te verlaten: "mij uitkraupen".